Brutal


Wat een lef hè; het is 1965 en de Sint Agnes parochie van de in februari 1945 zwaar gebombardeerde wijk in Kreuzberg, geeft opdracht een nieuw godshuis te bouwen. De dan zeer succesvolle architect Werner Düttmann ontwerpt de kerk met klokkentoren, het parochiehuis, kinderopvang en een woning voor de pastoor en koster. Materiaal: beton van vermalen steen afkomstig van de dan nog altijd aanwezige ‘Trümmerhaufen’, de restanten van de platgegooide woningen in dat deel van de stad.
Het werd een streng geometrische constructie, ‘mit wortkarge Wände’, met zwijgzame (woordloze, stille?) wanden (muren?).
Het gebruik van onbewerkt beton, ‘béton brut’ genereerde de naam van een architectonische stroming, het brutalisme, waarvan Düttmann in Duitsland een belangrijke representant is.

In 2011 pacht galeriehouder Johann König het hele complex voor de duur van 99 jaar, liet het renoveren en slim aanpassen tot een multifunctionele ruimte door Brandlhuber architects.


https://www.koeniggalerie.com/
https://bplus.xyz/

What guts!; it is 1965 and the Saint Agnes parish of the in February 1945 heavily bombed neighborhood in Kreuzberg, orders a new almshouse to be built. The then very successful architect Werner Düttmann designed the church with a bell tower, the parish house, childcare, and a house for the priest and sexton. Material: concrete of crushed stone from the then still present ‘Trümmerhaufen’, the remains of the destroyed houses in that part of the city.
It was a strictly geometric construction, ‘mit wortkarge Wände‘, with taciturn (wordless, silent?) walls
The use of raw concrete, ‘béton brut’, generated the name of an architectural movement, brutalism, of which Düttmann is an important representative in Germany.

In 2011, gallery owner Johann König leased the entire complex for 99 years, had it renovated and cleverly adapted into a multifunctional space by Brandlhuber architects.






Op de radio hoorde ik een interessant programma over de strijd die er in de Koude Oorlog óók woedde op het gebied van bouwen. Prestigieuze projecten aan beide zijden van de muur, waarin men elkaar probeerde te overtreffen. De Karl Marx Allee in het Oosten tegenover het
sociale woningbouw project Hansaviertel in het Westen, waar Niemeyer, Alvar Aalto en Walter Gropius konden bouwen. Düttmann was daarin als bouwmeester en architect een leidend figuur.
En aan de andere kant van de muur was dat Hermann Henselmann, noodgedwongen enige tijd werkzaam in de neo classicistische, stalinist pompeuze stijl waarin de heren in Moscou het liefst gebouwd zagen worden. Later was hij veel meer een modernist, met Bauhaus wortels.
Opvallend is dat na de val van de muur, de oude, in verval geraakte 19de eeuwse wijken in het Oosten zeer in trek waren, bij de West Duitsers, terwijl het modernisme huizen en flats had opgeleverd waarin men aanvankelijk niet meer wilde wonen. Dat is langzaam aan het keren.


On the radio, I heard an interesting program about the battle that was also fierce in the field of building and urban planning during the Cold War. Prestigious projects on both sides of the wall, in which they tried to outdo each other. The Karl Marx Allee in the East opposite the social housing project Hansaviertel in the West, where Niemeyer, Alvar Aalto, and Walter Gropius could build. Düttmann was a leading figure in this as a master builder and architect.
And on the other side of the wall, it was Hermann Henselmann, who was forced to work for some time in the neoclassical, Stalinist pompous style in which the gentlemen in Moscow preferred to see construction. Later he was much more of a modernist, with Bauhaus roots.
It is funny that after the fall of the wall, the old, dilapidated 19th-century neighborhoods in the East were very popular with the West Germans, while modernism had resulted in houses and flats in which people initially no longer wanted to live. That is slowly changing now.



Een van de eerste schetsjes voor het nieuwe Brückemuseum van Düttmann. –
One of the first sketches for Düttmann’s new Brücke Museum.

Düttmann bouwde in dezelfde tijd het Brückemuseum in de landelijke omgeving van Dahlem, dat ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag een tentoonstelling organiseert waarbij het museum -zo begrijp ik, zien kunnen we het nog niet- leeggeruimd is om de schoonheid van zijn architectuur te tonen.
Zoals Ann Goldstein bij de heropening van het Stedelijk Museum deed, wat me toen zeer stoorde omdat we er eindelijk weer toegang toe hadden, er zoveel moois in het depot stond en de zalen er juist niet beter op geworden waren.

Inspelend op de corona-beperkingen heeft het museum een drietal wandelingen georganiseerd langs de 28 bouwwerken van Düttmann. Met opvallende informatieborden, QR codes en een hartstikke goeie website.


http://www.wernerduettmann.de

At the same time, Düttmann built the Brückemuseum in the woody area of Dahlem, which is organizing an exhibition on the occasion of his hundredth birthday in which the museum – I understand, we cannot see it yet – has been cleared out to show the beauty of its architecture.
As Ann Goldstein did at the reopening of the Stedelijk Museum, which really bothered me at the time because we finally had access to it again, and so much in stock, and the rooms had not improved.

In response to the corona restrictions, the museum has organized three walks along the 28 buildings of Düttmann. With striking information boards, QR codes and a really good website.

And what did Johann König put in front of the entrance to that austere building, his gallery?
This sculpture of Erwin Wurm!

The nineteenth century


Geen makkelijke eeuw in de schilderkunst, in het Teylers Museum in Haarlem moet ik altijd een beetje doorbijten. Daar snap je goed waarom de impressionisten móesten komen, als antwoord op zoveel benauwde burgerlijkheid en academische regels. In de Alte Nationalgalerie is het zo gek je te realiseren dat deze plek -toen het gebouwd werd rond 1870,- hét museum voor moderne kunst was, met voor een deel dezelfde werken als er nu weer ondergebracht zijn.
Ik was er dinsdag om tien voor tien en kon als eerste naar binnen waarbij ik de neiging kreeg de suppoosten allemaal de hand te schudden. De eerste openstelling sinds 1 november; het had iets feestelijks.

Vijf redenen om een keer naar het museum van de 19e eeuw, de Alte National Galerie te gaan.


Not an easy century in painting, as I notice each time visiting the Teylers Museum in Haarlem. There you do understand why the Impressionists had to come, in response to so many oppressive bourgeois and academic rules.
In the Alte Nationalgalerie it is so interesting to realize that this place – when it was built around 1870 – was the museum for modern art, with some of the same works as now housed there.
I arrived at ten to ten on Tuesday and was the first to enter, with the urge to shake hands with all the attendants.
The first opening since November 1; there was something festive about it.

Five reasons to visit the museum of the 19th century, the Alte Nationalgalerie.


Der Watzmann – 1825

  1. Caspar David Friedrich

Niet voor niets is er een hele zaal gewijd aan het werk van Caspar David Friedrich. En ook al doe je je best anderen eens wat meer aandacht te geven (Menzel, Blechen, Böcklin, von Marées) het is tóch de zaal waar je als betoverd op een bankje gaat zitten. Dit keer was ik er langdurig alleen, en niet eerder drong tot me door hoe uitgebeend zijn beelden zijn. Hoe het begrip ‘romantisch’ voor zoveel meer uitleg vatbaar is. Dit heeft alles te maken met de eenzaamheid en weemoed die spreekt uit Schuberts Winterreise, en weinig met wat wij romantisch zijn gaan noemen.

It is not without reason that an entire room is devoted to the work of Caspar David Friedrich. And even if you do your best to give others a little more attention (Menzel, Blechen, Böcklin, von Marées), this is still the room where you sit on a bench, mesmerized. This time I was alone for a long time, and never before did I realize how boned his images are. How the term ‘romantic’ can be explained in so many ways. This has everything to do with the loneliness and melancholy that speaks from Schubert’s Winterreise, and little with what we have come to call romantic.

Mönch am Meer (1809) en Abtei im Eichwald (1810)

Der einsame Baum (1821)


2. Carl Blechen

Zwei Mönche im Park von Tivoli (1830)


Blechen was zijn tijd ver vooruit. Geen belangstelling voor het heroïsche of de symbolische duiding van het landschap, zoals zijn tijdgenoten veel meer bezighielden. Eigenlijk werkte hij als een impressionist later zou doen, op reis met zijn ezel middenin de natuur, met een losse flair en licht in het schilderen, ver weg van het Pruisisch classicisme.

Blechen was way ahead of his time. No interest in the heroic or symbolic interpretation of the landscape, as his contemporaries were much more concerned with. Actually, he worked as an impressionist would later do, traveling with his easel in the middle of nature, with a loose flair and light in painting, far away from Prussian classicism.



3. Max Klinger


Bij eerder bezoek aan de Alte Nationalgalerie ging ik steevast op zoek naar één schilderij dat nu tot mijn verrassing naast het werk hing waar ik eerder over schreef, de Sonnige Stube van Hammershøi.
Spaziergänge is de intrigerende titel van dit intrigerende schilderij. Max Klinger schilderde het in 1878 toen hij nog op de academie zat, 21 jaar oud. Vijf mannen, geïsoleerd van elkaar, gloedvol laat middaglicht schijnt op de lange bakstenen muur waar men vaak langs gelopen is getuige de sporen in het gras, maar waar naar toe? De man met bolhoed lijkt het slachtoffer te gaan worden en trekt zijn pistool. Naar motieven en afloop kun je alleen maar gissen. Klinger was een symbolist, en een vroege surrealist met gevoel voor humor die vooral bekend werd met zijn grafiek. De plaatsing naast Hammershøi vond ik geen gelukkige. Nog afgezien van het feit dat ze niks met elkaar aangingen, werd dat hele subtiele licht in het interieur omvergeblazen door de zon op de muur van Klinger.


During previous visits to the Alte Nationalgalerie, I invariably went in search of one painting that, to my surprise, was now hanging next to the work I wrote about earlier, the Sonnige Stube by Hammershøi. Spaziergänge is the intriguing title of this intriguing painting. Max Klinger painted it in 1878 when he was still at the academy, 21 years old. Five men, isolated from each other, glowing late afternoon light shines on the long brick wall that people have often walked past, as evidenced by the marks in the grass, but where to? The man in the bowler hat seems to be a target and pulls his gun. You can only guess at motives and outcome. Klinger was a symbolist and early surrealist with a sense of humor who was best known for his graphics. I found the placement next to Hammershøi, not a happy one. Apart from the fact that they did not interact with each other, that very subtle light in the interior was blown over by the sun on Klinger’s brick wall.

Hammershøi en Klinger


4. Zirkus van Paul Friedrich Meyerheim (1861)



En dan hangt er in een zaal met mij onbekende meesters ineens deze kleine circus voorstelling. Het was ongetwijfeld dé gebeurtenis van het jaar voor de mensen die in de omgeving woonden. Met mijn neus er op zag ik hoe verguld aandachtig en vertederd ze waren. Met de armen voor hun ogen tegen het felle zonlicht en de leeuw die op zijn beurt wacht.


And then suddenly this small circus show hangs in a room with masters unknown to me. It was undoubtedly the event of the year for the people who lived in the area. With my nose up I saw how attentive and endeared they were.
With the arms over their eyes against the bright sunlight and the lion waiting his turn.


5. Hodler

Voor Ferdinand Hodler moet je naar Zwitserland, of naar Musée d’Orsay, waar ook een paar mooie hangen. In Berlijn hangt deze. Hij benadert het landschap altijd frontaal, horizontaal, nooit vanuit een hoek, wat perspectivisch misschien beter kan werken, maar de abstractie in de weg zou zitten. En dat is misschien wel de grootste kwaliteit van zijn landschappen. Want een Zwitsers bergmeer schilderen zonder tuttig te worden, is knap.

For Ferdinand Hodler you have to go to Switzerland, or to the Musée d’Orsay, which also has a few nice ones. This one hangs in Berlin. Always frontal, horizontal, never from an angle, which might work better for the perspective, but would get in the way of abstraction. And that is perhaps the greatest quality of his landscapes.
Because painting a Swiss mountain lake without being fussy is admirable.

Ferdinand Hodler


En dan nog even een van Caspar David Friedrich, das Eismeer, dat in Hamburg hangt en dat Jacobien de Rooij tot inspiratie diende voor haar Marmerzee zoals ze die aantrof in Portugal.

Caspar David Friedrich – Das Eismeer (1823)


And then just one more by Caspar David Friedrich, das Eismeer, which you can see in Hamburg and that Jacobien de Rooij served as inspiration for her Marmerzee, as found in Portugal.

Jacobien de Rooij – Marmerzee (2011-2013) 220 x 280 cm, pastelkrijt op papier

Carpaccio

Vittore Carpaccio – 1505 – Grabbereitung Christi

David Groot is overleden.
Een lieve, scherpzinnige, interessante man, a generous gentleman.
Hij was de eerste echte kunstenaar die ik leerde kennen in misschien wel een van de eerste ateliers waar ik binnenkwam, toen ik zelf nog op de academie zat. Een atelier waarin alles netjes geordend was, met schilderijen aan de wand die gebaseerd waren op reproducties van het werk van Jean Arp. Dat was toen helemaal nieuw voor me. Dat het niet ging om de aller-individueelste expressie, niet om originaliteit, maar om tot eigen uitspraken te komen door de visuele taal van iemand anders te doorgronden. Dat heeft hem zijn leven lang beziggehouden.
Hij was het die voor het eerst de naam Carpaccio noemde, en dan niet het gerecht, maar de kunstenaar waar ik toen nog nooit van gehoord had. David was belezen en specifiek in zijn voorkeuren en kon je in zijn enthousiasme meenemen. Giovanni Bellini kende ik wel, die is een van mijn grootste helden in de kunst geworden, Vittore Carpaccio verkeerde in zijn kringen en werd door hem beïnvloed.
Hier in Berlijn hangt in de Gemäldegalerie -die helaas nog niet open is-, het forse doek, Die Grabbereitung Christi, the Preparation of Christ’s tomb. Ik zie er naar uit dit in het echt te gaan zien, ik kan het me van eerder bezoek niet herinneren. Er is zoveel op te ontdekken, al die gebeurtenissen die gelijktijdig plaatsvinden. De rust die de dood bracht tegenover alle bedrijvigheid.

Het lichaam van Christus, zo mooi horizontaal op de voorgrond, een lapje onder zijn hoofd, gereed om gewassen te worden. De poten van de tafel zijn bijna als botten, omgeven door echte beenderen en doodshoofden. Er klimt iemand uit een graf. Tegen een boom geleund zit Job, er achter wordt Maria ondersteund door Maria Magdalena, uitgeput van verdriet. Er wordt druk gewerkt aan het graf van Christus, de grote afsluitende steen wordt terzijde geschoven. Hoog op de berg Golgotha staat het kruis waarvandaan het lichaam naar beneden gedragen is. Temidden van alle troosteloosheid wordt -bovenop wat een opengebroken graf lijkt- gemusiceerd. Dat zou een verwijzing kunnen zijn naar de latere wederopstanding.


David Groot passed away.
A sweet, smart, interesting man; a generous gentleman.
He was the first real artist I met in perhaps one of the first studios I entered when I was still at the academy myself.
A studio in which everything was neatly arranged, with paintings on the wall that were based on reproductions of the work of Jean Arp. That was completely new to me at the time. That it was not about the most individual expression, not about originality, but about arriving at one’s own statements by understanding the visual language of someone else.
That has occupied him all his life.
It was he who first mentioned the name Carpaccio and not the dish, but the artist I had never heard of then. David was well-read and specific in his preferences and could take you with him in his enthusiasm.
I knew Giovanni Bellini, who has become one of my greatest heroes in art, Vittore Carpaccio was in his circles and was influenced by him.
Here in Berlin, in the Gemäldegalerie – which unfortunately is not yet open – hangs the hefty canvas, Die Grabbereitung Christi, the Preparation of Christ’s tomb. I look forward to seeing this in real life, I can’t remember from the previous visits.
There is so much to discover, all those events taking place simultaneously. The peace that death brought against all activity.

The body of Christ, so beautifully horizontal in the foreground, a patch under his head, ready to be washed. The legs of the table are almost like bones, surrounded by real bones and skulls. Someone is climbing out of a grave. Leaned against a tree, Job sits, behind it Mary is supported by Mary Magdalene, exhausted with grief. The tomb of Christ is being worked hard, the large closing stone is being pushed aside. High on Mount Golgotha is the cross from which the body is carried down. In the midst of all the desolation – on top of what appears to be a broken open grave – music is being played. That could be a reference to the later resurrection.

Simplicity



Op de Schönhauser Allee, waar ik nu om de hoek woon, moet ik vaak voor het stoplicht wachten (waarvoor iedereen hier nog daadwerkelijk wacht, ook als er in de verste verte geen verkeer te bekennen is) en dan zie ik een snackbar met een klein luikje waar je curry worst kunt kopen.
Lawaaieriger en lelijker kun je zo’n gebouwtje niet krijgen, ik verbaas me er steeds weer over. De hele omgeving van het huisje is vol ruis. Gebods- en verbodsborden, overal graffiti, stickers en kunstgebittige nieuwbouw.
In een boek over Prenzlauer Berg zag ik een foto van dezelfde hoek, de snackbar die in de DDR tijd nog Imbiss heette. Imbiss staat voor een snelle tussendoor-hap. Er zijn twee uitgifte-luiken en het wordt geafficheerd als ‘buffet’. Er is één verkeersbord: een pas op! aanduiding voor de tram die er aan kan komen.

On the Schönhauser Allee, where I live around the corner, I often have to wait for the traffic light (for which everyone here is actually waiting, even when there is no traffic in the distance) and then I see a snack bar with a small hatch where you can buy curry sausage. You cannot get a building like this noisier and uglier, I am always amazed about it. The whole area around the house is full of noise. Commandment and prohibition signs, graffiti, stickers, and new constructions everywhere. In a book about Prenzlauer Berg, I saw a picture of the same corner, the snack bar that was still called Imbiss in the GDR era. Imbiss stands for a quick snack in between. There are two distribution windows and it is advertised as ‘buffet’. There is one road sign: a beware! indication for the tram that may arrive.


In hetzelfde boek stond een foto van het er schuin tegenover liggende flatgebouw, aan de Stargarderstrasse met een neon reclame, zonder productnaam, want reclame was in de DDR tijd niet nodig, de Staat zorgde immers voor alles. Met een worst, een brood, een stukje taart, een pretzel en wat te drinken. Wat wil je nog meer. En dan lichtte dat ‘s avonds op, in een duistere buurt waar verder weinig te beleven was.


In the same book there was a photo of the apartment building diagonally opposite, on the Stargarderstrasse with a neon advertisement, without a product name, because advertising was not necessary in the GDR time, after all, the State took care of everything. With a sausage, a loaf of bread, a piece of cake, a pretzel and something to drink. What else do you want. And then it lit up in the evening, in a dark neighborhood where there was little else to do.

Het stilleven is er niet meer. Op de muur is een van de vele muurschilderingen die Berlijn rijk aangebracht, die ik allemaal even misplaatst en vervelend vind.

The still life is no longer there. On the wall is one of the many murals in Berlin, all of which I find equally out of place and annoying.

Schönhauser Allee hoek Stargarder Strasse


De degelijke eenvoud van de vormgeving uit de DDR jaren is inmiddels weer hip en een begeerlijk verzamelobject geworden en dat kun je je goed voorstellen. Er staat op wat er in zit, in heldere typografie en beeld. Geen gedoe en geen verspilling. Het Museum der Dinge, dat binnenkort weer te bezoeken is, heeft er veel tentoonstellingen aan gewijd. Dezelfde producten naast elkaar, de West- en de Oostversie. En dan ging mijn voorkeur steevast uit naar de laatste. Ik ken iemand in Estland wiens moeder vroeger plastic tasjes verzamelde uit het Westen en die eindeloos repareerde, als een kostbaarheid. Voor haar geen groter verlangen dan naar de overdaad van het Westen.


The solid simplicity of the design from the GDR years has now become hip again and a desirable collector’s item and you can imagine that. It says what’s inside, in clear typography and images. No hassle and no waste. The Museum der Dinge, which can be visited again soon, had many exhibitions devoted to it. The same products next to each other, the West and East versions. And then my preference was invariably for the latter. I know someone in Estonia whose mother used to collect plastic bags from the West and repair them endlessly, like a treasure. No greater desire for her than for the abundance of the West.

Ik kocht hier een achthonderd pagina dik boek, uitgegeven door Taschen; das DDR Handbuch. Een neerslag van de uitputtende collectie van het Wende Museum, in Californië (!) waarvan de eigenaar op tijd alle rommelmarkten in Oost Europa afstruinde en opkocht waar men toen graag van af wilde. Keurig gerangschikt in hoofdstukken als Levensmiddelen, Menukaarten, Toiletartikelen, Speelgoed, Kleding, Erotica, Vakantie en Industrie. En alles even treurig als aantrekkelijk gelijk.


I bought here an eight hundred-page book, published by Taschen; das DDR Handbuch. This is the exhaustive collection of the Wende Museum, in California (!), of which the owner scoured all flea markets in Eastern Europe on time and bought what they wanted to get rid of as soon as possible. Neatly arranged in chapters such as Food, Menus, Toiletries, Toys, Clothing, Erotica, Holidays and Industry.
And everything is equally sad and attractive.

Water


Kunst in de openbare ruimte, dacht ik heel even.
Ik vroeg het voorbijgangers die daar met hun hond wandelden, maar ook geen idee hadden. Iets industrieels, maar in zulke kleuren? In een omgeving waar verder weinig bedrijvigheid te bekennen was, vlakbij Tiergarten en de Technische Universiteit. Er lagen wat aantrekkelijke woonbootjes omheen, het leek een eiland.

Het blijkt de grootste watersnelheid-test-locatie in de wereld te zijn. Het is ooit begonnen als het Pruisische onderzoeksinstituut voor waterbouwkunde, grondwerken en scheepsbouw, een waterbouwkundig laboratorium dat nu deel uitmaakt van de Universiteit. Scheepsmodellen worden er blootgesteld aan de druk van opgewekte waterstromen, zo begrijp ik.
Scheepsdieselmotoren zorgen er voor dat 3300 ton water met een snelheid van 10 meter per seconde door de buis stoomt. In 1975 werd de met polyurethaan beklede buis in opdracht van architect Ludwig Leo roze geschilderd en het geheel is onlangs gerestaureerd, waarover ik dit filmpje vond.



Art in public space, I thought for a moment.
I asked passers-by who were walking there with their dog but also had no idea. Something industrial, but in such colors? In an environment where there was little activity to be seen, close to Tiergarten and the Technical University. There were some attractive houseboats around it, it looked like an island.

It turns out to be the largest water speed test site in the world. It started out as the Prussian Research Institute of Hydraulic Engineering, Earthworks and Shipbuilding, a hydraulic engineering laboratory that is now part of the University. Ship models are exposed to the pressure of generated water flows, I understand. Marine diesel engines ensure that 3300 tons of water steam through the pipe at a speed of 10 meters per second. In 1975 the polyurethane-coated tube was painted pink by the design of architect Ludwig Leo and the whole has recently been restored, about which I found this video.

Resist



‘Dat je dat nou niet allemaal wéten wilt’, riep mijn vader, als wij zeiden, nee Pa, niet wéér over de oorlog.
En daarvan heb ik nu grote spijt. Hoe graag zou ik met hem over de oorlog spreken, waar hij veel van wist en alles over las en zag. Lange rijen video’s over de Tweede Wereldoorlog, net zo’n lange als die van de Winkler Prins.
De bestemming van de huwelijksreis was Duitsland, waarvan mijn moeder zich vooral de Trümmerhaufen herinnerde, eindeloze bergen stenen, overal. Onze eerste buitenlandse vakanties vierden we in Duitsland, natuurlijk. Met grote bolle dekbedden en Kaiserbrötchen, en Onkel Ernst met wie mijn vader lange gesprekken voerde. Later raakten mijn ouders bevriend met een dominee en zijn vrouw aan de Oostzijde van de muur. En met een graaf, wiens neef, Claus von Stauffenberg, een aanslag pleegde op Hitler, die mislukte. De graaf die op de dag van mijn moeders begrafenis met bloemen uit Zuid-Duitsland kwam, aanbelde, een half uur bleef, even alleen met mijn moeder wilde zijn, ons omhelsde en weer terug reed.

Gedenkstätte Deutscher Widerstand heet de plek waar ik gisteren bij toeval belandde.
Claus von Stauffenberg was officier die in kringen verkeerde waarin men in het diepste geheim een aanslag voorbereidde op Hitler, waarvan er eerder een aantal verijdeld waren. Von Stauffenberg zou dit keer zelf de aanslag op Hitler uitvoeren, tijdens een militaire stafbespreking in het hoofdkwartier van Oost-Pruisen,  een goed beveiligd bunkercomplex. Von Stauffenberg had een aktetas met daarin een tijdbom onder de kaartentafel, waarover de officieren en ook Hitler gebogen stonden, geplaatst en vertrok. De aanslag mislukte.
De bom ontplofte en Hitler raakte gewond, maar niet ernstig. De samenzweerders werden ter dood veroordeeld en het vonnis werd dezelfde dag nog uitgevoerd. De executies vonden plaats op de binnenplaats van het Bendlerblock, waar nu dit beeld staat van een naakte man met samengebonden handen, een beeld van Richard Scheibe, dat daar geplaatst is in 1953. Er is later een tweede beeld geplaatst, een vloersculptuur van Erich Reusch, een beetje in de geest van Carl Andre. Als drempel van verzet; ga je er overheen of niet.
Misschien werd het versterkt doordat ik de enige bezoeker was, en speelde mijn vader een rol, maar ik vond het – in al z’n eenvoud- allemaal zeer aangrijpend.


“That you don’t want to know all about that,” my father replied when we said, no Pa, not again about the war.
And I regret that now. How I would love to talk to him about the war, about which he knew a lot and read and saw everything about it. Long lines of videos about the Second World War, just as long as those of the Winkler Prins.
The honeymoon destination was Germany, of which my mother especially remembered the Trümmerhaufen, endless mountains of stones, everywhere. We celebrated our first foreign holidays in Germany, of course. With big round duvets and Kaiserbrötchen, and Onkel Ernst with whom my father had long conversations. Later my parents became friends with a pastor and his wife on the East side of the wall. And with a count, whose cousin, Claus von Stauffenberg, committed an attack on Hitler, which failed. The count who came with flowers from southern Germany on the day of my mother’s funeral, rang the bell, stayed for half an hour, wanted to be alone with my mother, hugged us and drove back again.

Gedenkstätte Deutscher Widerstand is the name of the place where I accidentally ended up yesterday.
Claus von Stauffenberg was an officer who was in circles in which an attack on Hitler was being prepared in secret, some of which had previously been thwarted. This time, Von Stauffenberg was to carry out the attack on Hitler himself, during a military staff meeting at the headquarters of East Prussia, a well-secured bunker complex. Von Stauffenberg had placed a briefcase with a time bomb in it under the chart table, over which the officers and also Hitler were bent, and left. The attack failed.
The bomb exploded and Hitler was injured, but not seriously. The conspirators were sentenced to death and the sentence was carried out the same day. The executions took place in the courtyard of the Bendlerblock, where now stands this statue of a naked man with bound hands, a statue by Richard Scheibe, placed there in 1953. A second work was placed later, a floor sculpture by Erich Reusch, somewhat in the spirit of Carl Andre.
As a threshold of resistance; do you go over it or not.
Perhaps it was reinforced by my being the only visitor and my father was definitely part, but I found it – in all its simplicity – very moving.


Bar – rings – bridge

Dat is dan wel weer een voordeel van nergens naar binnen kunnen; ik fiets langs en door de parken van Berlijn en stuit op verrassingen. Op de grens van Kreuzberg/Neukölln ligt het Hasenheide park. Daar zag ik van verre dit standbeeld, zoals er vele zijn, maar dichterbij gekomen vielen me pas al die stenen tekst-platen op, waarvan ik eerst veronderstelde dat het grafzerken waren.
Maar wat doen grafzerken om een standbeeld?
Het zijn plaquettes die geschonken zijn door 139 (!) turnverenigingen uit de hele wereld, en de meeste dateren van de tijd dat het standbeeld geplaatst werd, in 1872. Onder het bronzen beeld, gefinancierd door al die verenigingen, staat nauwelijks leesbaar ‘Turnvater Jahn’ in de stenen sokkel gegraveerd.
Het blijkt allemaal te gaan om Friedrich Ludwig Jahn, de grondlegger van de turnsport, die zelfs een nieuwe naam gaf aan iets dat tot dan toe gymnastiek heette. Hij was het die rond 1810 in Berlijn de eerste turnschool opende – niet ver van de plek waar nu het beeld staat – en de toestellen bedacht waarmee en waarop geturnd werd; de rekstok, de ringen en de brug.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is 19.-jh-jahndenkmal-hasenheide-kleiner-572x358-1.jpg


That is another advantage of not being able to enter anywhere; I cycle along and through the parks of Berlin and encounter surprises. The Hasenheide park is located on the border of Kreuzberg / Neukölln. There I saw this statue from a distance, as there are many, but when I got closer, I noticed all those stone text-slabs, which I first assumed were tombstones.
But what do gravestones do around a statue?
They are plaques donated by 139 (!) Gymnastics associations from all over the world and most of them date from the time the statue was placed, in 1872. Underneath the bronze statue, financed by all those associations, it says barely legible ‘Turnvater Jahn ‘ engraved on the stone base.
It turns out to be all about Friedrich Ludwig Jahn, the founder of gymnastics. It was he who opened the first gymnastics school in Berlin around 1810 – not far from where the statue now stands – and invented the devices with which and on which gymnasts were performed; the horizontal bar, the rings, and the bridge
.

‘Turnplatz in der Hasenheide’. met turntoestellen ontworpen en aangelegd door Friedrich Ludwig Jahn, in de Hasenheide in 1811
Een ansichtkaart uit 1904


Maar het was allemaal niet zo onschuldig.
De door hem ontwikkelde theorieën over lichaamsbeweging koppelde hij aan een nationalistische ideologie. Behalve het sterken en weerbaar maken van het lichaam ging het ook om het verspreiden van een politieke boodschap. Zijn pamflet ‘Deutsches Volkthum‘ dat weerklank vond na de Franse overheersing van Duitsland (Napoleon verovert vrijwel geheel Duitsland en trekt in 1806 Berlijn binnen) werd hem later noodlottig. Hij richtte “Burschenschaften’ op, uitsluitend toegankelijk waren voor mannen en die misschien als een voorloper van de Hitlerjugend kunnen worden beschouwd.
Het turnen werd een dekmantel voor politieke aspiraties. Zijn motto: ‘Frisch, Fromm, Fröhlich, Frei’, werd in het Turnverein-embleem vereenvoudigd tot vier hoofdletters F- in-een-cirkel, en kwam verdacht dicht bij het latere hakenkruis. De xenofobie in zijn teksten staat niet ver af van de overtuigingen die nu door de rechts-populistische partijen als de AfD worden geuit. En er staan vast uitspraken in waarin Baudet zich zal kunnen vinden.
Men zag al snel in dat dit onbeheersbare krachten konden worden, en daarmee werd het turnen in clubverband nog tijdens zijn leven verboden. Hijzelf zat er vijf jaar voor achter de tralies. Pas in 1842 werd de ‘Turnsperre’ opgeheven.
Een kleine eeuw later werden de massaal uitgevoerde gymnastiek oefeningen door de nazi’s ingezet ter ondersteuning, als choreografie van het machtsvertoon (zoals het later ook in de DDR gebruikt werd, of nu in Noord Korea).
In opdracht van Hitler werd het Hasenheide-beeld ter gelegenheid van de Olympische Spelen van 1936 verplaatst naar een hoger gelegen, prominenter deel van het park en werd de sokkel aangepast. Het is de plek waar het beeld nu nog staat.
Meteen na de tweede wereldoorlog nam men in Duitsland sterk afstand van de ideeën van Jahn, en moeten we inmiddels natuurlijk een onderscheid maken tussen de wonderen die Epke Zonderland verricht aan de rekstok en de militair gelijkende, tienduizenden gymnastiek beoefenaars ter meerdere glorie van een fout regime.


But it wasn’t all that harmless.
He linked the theories about the physical activity he developed to a nationalist ideology.
In addition to strengthening and resilience of the body, it was also about spreading a political message. His pamphlet ‘Deutsches Volkthum’ that was echoed after the French domination of Germany (Napoleon conquers almost all of Germany and enters Berlin in 1806) was later fatal to him. He founded ‘Burschenschaften’, which were only accessible to men, and which can perhaps be regarded as a precursor of the Hitler Youth. Gymnastics became a cover for political aspirations. His motto, ‘Frisch, Fromm, Fröhlich, Frei’, was simplified in the Turnverein emblem to four capital letters F-in-a-circle and came suspiciously close to the later swastika. His xenophobia in his lyrics is not far from the beliefs now voiced by right-wing populist parties like the AfD. And there are certain statements in which Baudet will agree. It was soon realized that these could become uncontrollable forces, and thus gymnastics in a club was banned during his lifetime. He himself was behind bars for five years. The ‘Turnsperre’ was not closed until 1842.
A century later, the massively performed gymnastics exercises were used by the Nazis to support, as a choreography of the display of power (as it was later used in the GDR, or now in North Korea).
On behalf of Hitler, the Hasenheide statue was moved to a higher, more prominent part of the park on the occasion of the 1936 Olympic Games and the base was adapted. It is the place where the statue still stands.
Immediately after the second world war, people in Germany strongly distanced themselves from the ideas of Jahn, and in the meantime, we must of course make a distinction between the miracles that Epke Zonderland performs on the horizontal bar and the military-like tens of thousands of gymnastics practitioners for the greater glory of a wrong regime.


‘Openbare lichaamsoefeningen voor mannen ter versterking van de gemeenschapszin’ 1911

Aan het eind van de 19e eeuw werd er voor turners voor het eerst sportkleding ontworpen, op de achtergrond de buste van Friedrich Jahn

Mass gymnastics were the feature of the “Day of Community” at Nuremberg, Germany on September 8, 1938
and Adolf Hitler watched the huge demonstrations given on the Zeppelin Field.

The Difference

Keurig, deze entree, zo zijn er vele en er is niet zoveel mis mee, maar saai. De ramen van het trappenhuis onderscheiden zich, voor het overige is alles hetzelfde. In zo’n lekker dikke Duitse stuclaag. Het huisnummer, die zwarte 14 op een wit lichtbakje is handig, want zo zijn alle huizen genummerd in voormalig Oost-Berlijn en zo weet ik -door de stad fietsend- steeds waar ik ben, Oost of West en waar de muur gestaan heeft.


Neat, this entrance, there are many like this and there is not much wrong with it, but boring. The windows of the stairwell are distinct, otherwise, everything is the same. Covered in a thick German plaster layer. The house number, the black 14 on a white lightbox, is practical, because that way all houses are numbered in the former East and I always know – cycling through the city – where I am, East or West and where the wall was.

Maar er pal tegenover (kijk maar naar de stoep) is deze gevel te zien. Hoe subtiel en spannend verdeeld de (kleine- het is de Noordzijde) ramen zijn aangebracht. Als muzieknoten op een balk.
Toen architect Aldo van Eyck in 1973 het ‘Moederhuis’ ontwierp op de Plantage Middenlaan in Amsterdam, met een opvallend kleurgebruik, zorgde dat voor veel beroering. Een huis voor ‘gevallen vrouwen’ in alle kleuren van de regenboog, schánde! Je kunt je daarvan nu de commotie niet meer voorstellen als je er langsfietst.

Van Eyck hield ongetwijfeld van het werk van Bruno Taut, die hier in Berlijn flink wat bouwen kon en voor wie kleur een voorwaarde was. Bruno Taut had goede contacten in Nederland, en raakte bevriend met architect Oud die hem introduceerde in de wereld van de Amsterdamse school.

Dit wooncomplex, rond de Erich Weinert Strasse, was zijn laatste, gebouwd in 1929. Het is verrassend ruim opgezet.
U-vormige blokken maakten het mogelijk grote binnentuinen te maken, waarop men van eigen balkon uit zou kunnen. kijken. Wat ook nieuw was, was dat het 1200 woningen zouden worden die ook aantrekkelijk moesten zijn voor alleen-wonenden; kleine, compacte, lichte appartementen werden het.

But this facade can be seen directly opposite (check the sidewalk). Look how subtle and excitingly distributed the (small – it is the Northside) windows are installed. Like musical notes on a bar.
When architect Aldo van Eyck designed the ‘Mother House’ on the Plantage Middenlaan in Amsterdam in 1973, with a striking use of color, this caused a lot of commotion. A house for ‘fallen women’ in all colors of the rainbow, shame! You can no longer imagine the commotion now when you cycle past it.

Van Eyck undoubtedly liked the work of Bruno Taut, who could build a lot here in Berlin and for whom color was essential. Bruno Taut had good contacts in the Netherlands and became friends with architect Jacobus Oud who introduced him to the world of the Amsterdam school.
This residential complex, around Erich Weinert Strasse, was his last, built in 1929. It is surprisingly spacious. U-shaped blocks made it possible to create large inner gardens that could be looked at from your own balcony. What was also new was that they would build 1200 homes that were to be attractive to people living alone; they became rather small, compact, bright apartments.

Dit hele blok werd vernoemd naar de sociaal democraat die in die tijd had geijverd voor sociale woningbouw met karakter, Carl Legien. De verschillende straten kregen de namen van de sociaal democratische voormannen van die tijd. Natuurlijk moest dat onmiddellijk anders toen de Nazi’s aan de macht kwam. Zij veranderden de straatnamen in die van de Vlaamse slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog. Meteen na 1945 werden die weer vervangen door de namen van communistische verzetshelden, de wijk lag in het Oosten van Berlijn. De flats raakten in verval, na de val van de muur schilderde een ieder zijn eigen kleur op de deur, de balkons werden verbouwd tot een extra kamer, maar alles is weer hersteld en teruggebracht naar de oorspronkelijke situatie van 1930. En het is echt een feest om daar doorheen te lopen, alles is in evenwicht. Er is nog veel meer van Bruno en zijn broer Max Taut, voor een volgende keer.

This entire block was named after the social democrat who at the time had campaigned for social housing with character, Carl Legien. The different streets were given the names of the social-democratic leaders of the time. Of course, that had to change immediately when the Nazis came to power. They turned the street names into the names of the Flemish battlefields from the First World War. Immediately after 1945, they were replaced by the names of communist resistance heroes (a Soviet district!). The flats fell into disrepair, after the fall of the wall everyone painted their own color on the door, the balconies were converted into an extra room, but everything has been restored and brought back to its original 1930s situation. A feast to walk through it, everything is in balance. There is a lot more from Bruno and his brother Max Taut, for next time.


De kleuren zijn in elk binnenterrein net even verschillend, deze poederige blauw kent in het volgende blok een groenere variant.

De hoekramen zijn nog nét niet zo geraffineerd als die van Gerrit Rietveld, die je vanúit de hoek naar links en rechts
kunt openen, zodat de hoek niet meer bestaat, maar toch.

Ruhe

Leise Park

Op een van de begraafplaatsen hier in Berlijn kwam ik een echtpaar tegen dat me vertelde zo blij te zijn dat déze in ieder geval open zijn, voor een wandelingetje, maar vooral om toch een beetje ‘Kultur geniessen zu können’.
Zo had ik het nog niet bedacht.
Het is me al vaker opgevallen dat begraafplaatsen in andere steden meer geïntegreerd zijn, meer deel van het leven uitmaken dan bij ons. Ik herinner me in Tokio zelfs een route die noodgedwongen over de begraafplaats liep; alsof je een wijk doorkruiste, zonder muur eromheen.
Het is natuurlijk bijna een sport om graven van beroemde mensen op te zoeken, of toevallig te ontdekken. Zo liep ik tegen twee grote keien aan, in een hoekje van begraafplaats Dorotheenstad, waarin de namen van Bertolt Brecht en zijn vrouw Helene Weigel gebeiteld waren. Er schuin tegenover stond een stenen kubus met de naam van zijn vriend Hanns Eisler, die de muziek van veel van zijn theaterstukken componeerde en iets verderop de vrouw die zijn liederen fantastisch vertolkte, Gisela May. Allemaal vlakbij elkaar, wat iets roerends had.
En dan is het enorme luxe om thuisgekomen op Spotify hun namen in te tikken en de hele dag ondergedompeld te zijn in dat grote, prachtige oeuvre.


At one of the cemeteries here in Berlin I met a couple who told me that they were so happy that théy are at least open, for a walk, but especially for a little ‘Kultur geniessen zu können’.
I hadn’t thought of it that way yet.
I have often noticed that cemeteries in other cities are more integrated, more part of life than in ours. I even remember a route in Tokyo that was forced to cross the cemetery; as if you were crossing a neighborhood, without a wall around it.
Of course, it is almost a sport to look up or discover by chance, the graves of famous people. So I came across two large boulders, in a corner of the Dorotheenstad cemetery, in which the names of Bertolt Brecht and his wife Helene Weigel were chiseled. Diagonally opposite was a stone cube bearing the name of his friend Hanns Eisler, who composed the music for many of his plays, and a little further away, the grave of the woman who performed his songs fantastically, Gisela May. All close together, which had something moving.
And then it is an enormous luxury to come home on Spotify to type in their names and to be immersed in that large, beautiful oeuvre all day long.


Joodse begraafplaats Weissensee



De meest indrukwekkende is de Joodse begraafplaats Weissensee. Zoiets enorms had ik niet eerder gezien; tachtig voetbalvelden groot, met dicht opeengepakte graven. De oudste Joodse begraafplaats, middenin de stad (aan de Schönhauser Allee, die herinnert aan die in Praag waar alle stenen schots en scheef overwoekerd zijn) was te klein geworden en een groep vooraanstaande burgers besloot een terrein te kopen buiten de stad. In 1880 werd deze nieuwe begraafplaats ingewijd. De rijkere Joodse families bouwden -tegen de gewoonte in- praalgraven van het mooiste soort. Kleine architectonische wonderen zijn het, de bouwstijlen van het einde van de 19e, begin 20e eeuw representerend. Eindeloos lange lanen vol, en de meeste redelijk onderhouden.
De gloedvolle, mooie namen die ik eerder koppelde aan het bericht over de transport treinen vanaf het Anhalter Bahnhof, heb ik daar hardop lezend opgetekend. Al die welvarende families met hun cultuur, bedrijven, winkels. Allemaal verdwenen.
Het is altijd zo gek dat het tegelijk ook vredig en mooi is, een begraafplaats. Zelfs een waar de gegraveerde jaartallen ophouden rond 1938.

The most impressive is the Weissensee Jewish cemetery. I had never seen anything so huge before; eighty football fields in size, with densely packed graves. The oldest Jewish cemetery, in the middle of the city (on the Schönhauser Allee, which recalls the one in Prague where all the stones are scattered and crooked) had become too small and a group of prominent citizens decided to buy a site outside the city. This new cemetery was inaugurated in 1880. The wealthier Jewish families built – contrary to custom – tombs of the finest kind. They are minor architectural wonders, representing the architectural styles of the late 19th, early 20th centuries. Endlessly long avenues full, and most of them reasonably maintained.
The glowing, beautiful names that I previously linked to the report about the transport trains from the Anhalter Bahnhof, I have read out loud there. All those prosperous families with their culture, businesses, shops.
All disappeared.
It is always so strange that it is also peaceful and beautiful at the same time, a cemetery.
Even one where the engraved dates end around 1938.


En dan is er een kleine oase, beteugeld verwilderd; de St Marien Friedhof, die nu een ommuurd wandelgebied is aan de Prenzlauer Allee/Heinrich Rollerstrasse. De begraafplaats kwam in 2007 te koop maar de buurt wist te verhinderen dat het volgebouwd zou worden en heeft de stad er toe kunnen bewegen het terrein aan te kopen. Het heet nu Leise Park.
Na veertig jaar niet gebruikt te zijn geweest staan er hier en daar grafmonumenten, maar er is ook een evenwichtsbalk, er hangen hangmatten en er worden hutten gebouwd. Het heeft iets weg van de sinds 1963 niet meer in gebruik zijnde begraafplaats Huis te Vraag bij de Amstelveenseweg in Amsterdam, maar levendiger. Daar moet het zomers goed toeven zijn.

And then there’s a little oasis, restrained haggard; the St Marien Friedhof, which is now a walled walking area on Prenzlauer Allee / Heinrich Rollerstrasse. The cemetery came up for sale in 2007, but the neighborhood was able to prevent it from being bought for real estate and was able to persuade the city to buy the site.
It is now called Leise Park.
After 40 years of inactivity, there are grave monuments here and there, but also a balance beam, there are hammocks in the trees, and huts are being built. It resembles the Huis te Vraag cemetery at the Amstelveenseweg in Amsterdam, not in use since 1963, but more lively. It must be an enchanting place to be there in summer.

Floraplatz


In Berlijn stond weinig meer overeind, in 1945.
Het is natuurlijk heel precies bijgehouden; er viel in totaal 69.037 ton aan bommen op de stad. Je kunt je er geen voorstelling van maken dat een groot deel van de Europese steden, en delen van Azië tegelijk in puin lagen. Warsaw, Rotterdam, Londen, Nijmegen, Arnhem, Hiroshima, Nagasaki, Osaka, Tokio, Hamburg, Berlijn en ga zo maar door.


In 1945 little was left standing in Berlin.
It has of course been kept very precisely; a total of 69,037 tons of bombs fell on the city. You cannot imagine that many of Europe’s cities and parts of Asia were in ruins at the same time. Warsaw, Rotterdam, London, Nijmegen, Arnhem, Hiroshima, Nagasaki, Osaka, Tokyo, Hamburg, Berlin, and so on.

Tiergarten – Florapark – oktober 1946

Daarom is dit een curieuze en bijzondere foto.
Ook Tiergarten, dat vanaf halverwege de 18e eeuw ontwikkeld was tot een enorm park met rozentuinen, meren met eilandjes, wandelpaden, monumenten en gedenktekens, moest het ontgelden. Van de 200.000 bomen waren er 700 over. Op de foto zie je een eerste poging tot reconstructie van een geliefde plek: Floraplatz, niet ver van de Reichstag. Op het kaalgeslagen, leeggehaalde terrein lijken de beelden er zojuist weer neergezet, als in een proefopstelling.
Je zou denken dat Berlijn in oktober 1946 wel iets anders aan het hoofd had.
Op deze plek stond voorheen een beeld van de godin Flora (godin van lente en bloemen) dat al in 1906 vervangen was door een amazone te paard, omgeven door acht beelden van dieren op een sokkel. Zes van de acht beelden hadden de oorlog overleefd en werden zo snel dat mogelijk was teruggeplaatst op het desolate terrein.


That’s why this is a curious and special picture.
Tiergarten, which had developed from the mid-18th century into a huge park with rose gardens, lakes with islands, hiking trails, monuments, and memorials, also had to suffer from the war. Of the 200,000 trees, 700 were left. The photo shows a first attempt at a reconstruction of a popular place: Floraplatz, not far from the Reichstag. On the bare, emptied terrain, the images seem to have just been put down again, as in a test setup.
You would think that in October 1946 Berlin had something else on its mind.
This site used to be home to a statue of the goddess Flora (goddess of spring and flowers), which had already been replaced in 1906 by an Amazon on horseback, surrounded by eight statues of animals on a pedestal.
Six of the eight sculptures had survived the war and were repositioned on the desolate terrain as soon as possible.



De typisch Noord-Amerikaanse dier-sculpturen die de amazone omringen zijn eigenlijk gemaakt voor het
George Washington monument in Philadelphia, naar een ontwerp van beeldhouwer Rudolf Siemering.
Keizer Wilhelm II vond dat de amazone te paard wel wat gezelschap kon gebruiken en kocht in 1890 een tweede afgietsel in brons van de hele groep. Twee bizons, twee edelherten, twee elanden waren in de loop der jaren verspreid geraakt door het park, hun sokkels in de grond verdwenen. De stier en de beer zijn in de oorlog verloren gegaan. Dus werden een paar jaar geleden in Philadelphia van de beer en stier 3D scans gemaakt en zijn ze opnieuw gegoten. Vorig jaar is de hele gerestaureerde groep in de oorspronkelijke opstelling teruggeplaatst.

Bizon en indiaan in Philadelphia


The quintessentially North American animal sculptures that surround the Amazon are actually made for the
George Washington monument in Philadelphia, designed by the German sculptor Rudolf Siemering.
Emperor Wilhelm II thought that the Amazon on horseback could use some company and bought a second bronze casting of the entire group in 1890. Two bison, two red deer, two moose had become scattered throughout the park over the years, their pedestals disappearing into the ground. The bull and the bear were lost in the war.
So a few years ago in Philadelphia, 3D scans of the bear and bull were taken and re-cast. Last year, the entire restored group was returned to its original arrangement.