

Uit de schatkamers van het Louvre
(waar op vrijdagavond om half tien niemand meer is)


Halverwege de jaren ’90 organiseerde Rudi Fuchs in het Stedelijk Museum een serie tentoonstellingen onder de titel ‘Coupletten’ waarin hij vrijelijk associërend keuzes maakte uit de collectie van het museum en die op onverwachte wijze met elkaar in verband bracht. Vaak werken uit de opslag die niet eerder getoond waren naast de bekende meesters. Dat vond ik toen, herinner ik me, een heel verfrissende manier van presenteren. Niet altijd even geslaagd, soms onnodig verwarrend en geforceerd, maar er was steeds een spannende wisselwerking. Dat dit nauw luistert blijkt wel uit de huidige opstelling van de vaste collectie in ‘de kelder’ van het museum, waar het zo bont geworden is dat het niet meer werkt.
Met zestien vestigingen van Beverly Hills tot Hongkong behoort Gagosian Gallery bij de top. In de Parijse afdeling -die als een klein museum fungeert met negen bewakers en acht stafleden achter de computer)- is nu de tentoonstelling Critical Dictionary: in homage to G. Bataille te zien.
Georges Bataille, de ‘filosoof van de surrealisten’ lanceert in Documents -een tijdschrift dat hij uitgaf-, de gedachte dat werk van geheel verschillende oorsprong (jazz en archeologie bijvoorbeeld) elkaar voeden. Een van de beweegredenen was om hoge en lage kunst (beaux arts et variétés) bij elkaar te brengen.
In deze tentoonstelling in verschillende zalen, is er steeds een sculptuur naast een schilderij geplaatst, zo eenvoudig is het; kaal en zuiver. Het boort verschillende manieren van kijken en vergelijken aan. Zeer uiteenliggende werelden zijn het, die toch -op een heel ondoorgrondelijke wijze- een verbinding aangaan met elkaar. Soms verhalend, soms heel formeel op kleur, maar steeds versterkend en gek genoeg nooit vrijblijvend. Het deed aanspraak op allerlei lagen van ervaren, klinkt soft maar beter kan ik het niet zeggen.




Elke keer als ik in het Louvre loop kom ik mensen tegen die me recht in de ogen kijken, of er net langs. Vriendelijk, vals, nieuwsgierig, schrander, verleidelijk broeierig, hooghartig of verlegen. Met reserve of brutaalweg binnendringend en me niet meer loslatend. Ze kijken niet zoveel naar elkaar, vaker naar de toeschouwer of in de verte.
Een volgende keer kom ik ze weer tegen, met onveranderd dezelfde blik, sommigen groet ik met een kleine knik.
Ze komen uit alle eeuwen en voor altijd.
Als je wilt weten wie het zijn en door wie geschilderd, is er het onvolprezen google images, voor wie dat nog niet ontdekte. Je sleept een plaatje naar je bureaublad en dan naar die site, waarna op je scherm de ‘beste gok voor deze afbeelding’ verschijnt met alle beschikbare informatie.


De pietà is het meest aangrijpende beeld in de Christelijke traditie van de late Middeleeuwen. De diep verdrietige moeder en haar dode zoon; dat te grote, stijve, bleke lichaam onhandig liggend op de schoot waaruit hij geboren is. In de vroegste, Duitse versies is het hoofd van Maria afgewend. Dan zijn ze ook alleen, later worden moeder en zoon vaker geflankeerd door Johannes en Maria Magdalena of een paar engelen die het lichaam ondersteunen. De pietà van Michelangelo is het beroemdst, maar een van de minst beroerende.
Vrienden van mij wonen aan de rivier de Lot en daar is in het dorp Les Arques in het voormalig woonhuis en atelier van Ossip Zadkine een klein museum gevestigd, zijn tweede museum naast dat hier in Parijs. De er tegenover liggende neo-romaanse Église Saint Laurent werd op zijn initiatief in de jaren vijftig gerestaureerd en voorzien van een crucifix en een pietà.
Die pietà is prachtig.
Uit een groot stuk iepenhout gehouwen en beschilderd. De ledematen lijken afgehakt, als losse delen toch bijeen gehouden in een dood-groengrijze kleur. Het hoofd van Jezus is als een masker, platgeslagen, het gezicht van Maria verwrongen van pijn. Het zou ook een tekening kunnen zijn, een tekening van Käthe Kollwitz of meer nog van Max Beckmann, door de met zwarte verf geaccentueerde schaduwen. Het beeld is geplaatst op de plek waar je een graftombe verwacht, in een stenen ruimte onder het altaar. En het altaar is gewoon een tafel met een bloem-geborduurd kleed, de zetel van de pastoor gemaakt van een oude, eikenhouten deur. En die móet wel door Zadkine zelf in elkaar zijn gezet.



Gay Pride Amsterdam is een NS-dagtrip geworden waar ik met een grote boog omheen fiets. Hier in Parijs zag ik waarvoor die bedoeld is en hoe het ooit begon. Een uitbundige mars door een groot stuk van de stad, waarvoor de boulevards verkeersvrij waren gemaakt en flink werden bewaakt. Geen officiële instanties, geen ijdele provocaties met veel bloot, maar een lange optocht van vrolijke, militante, boze, mooie, extravagante, bezorgde, gewone, swingende mensen die vieren en laten zien dat we er zijn en signaleren dat dat nog steeds geen vanzelfsprekendheid is.




Te midden van al die uitbundigheid stroomden de grootste golven van opwinding uit de cafés langs de route, van terrassen en uit openstaande ramen; Frankrijk speelde tegelijkertijd voetbal tegen Argentinië en won met 4-3.
Deze dameskapsalon ontplofte zo ongeveer toen het vierde doelpunt gescoord werd, luidkeels Mbappé Mbappé scanderend.



Voor mijn vriend Henk Leppink (1956-2009) die sieraden maakte van (oude) knopen was het pas goed als het ‘klopte’. Hij stelde zijn werk samen met spullen van diverse herkomst, en er kwam altijd een moment dat -soms met een enorme omweg- de cirkel rond was. Dan klopte het en was het goed.
Ik ben daar ook gevoelig voor. Dat ik mijn visitekaartje van een gouache van een blik augurken voorzie en even later een foto van mijn vader tegenkom, op zijn eerste voedingsmiddelen-beurs in 1959 temidden van grote blikken augurk, maakt me echt gelukkig. Dat ik hier in de Cité een werk maakte dat als een hommage gezien kan worden aan de kleine kruidenier die nog maar net overleeft, en galeriehouder Jean Brolly daar naar komt kijken en me vertelt dat zijn ouders zo’n zaak hadden in Straatsburg, tja! Bovendien nodigde hij me uit dat werk en de offspring solo te tonen op een nieuwe kunstbeurs, die hier in de tentoonstellingsruimtes van het gebouw georganiseerd gaat worden. En zo zullen de broer en zus Izraël, de eigenaren van de zaak hier om de hoek, eregast zijn.
Bienvenue – curator Olivier Robert
met Galerie Jean Brolly
opening maandag 15 oktober – tot en met zaterdag 27 oktober
Dat hebben ze hier goed geregeld; je flesje bijvullen met ‘eau petillante’ of lekker gekoelde ‘eau fraîche’ en dat ie het ook nog dóet, die machine. Op een vijf kilometer wandelpad op hoogte, de ‘Promenade Plantée’ langs avenue Daumesnil. Het is een voormalig treintraject tussen Bastille en Vincennes, dat in 1969 werd afgestoten. Op de plaats van het station kwam een operahuis, onder de rails winkels en werkplaatsen (zoals ‘Langs de bogen’ in Amsterdam) en het spoor werd een lommerrijk wandelpad dat eind jaren ’80 werd ingericht. Het was de eerste. Niet vanuit een concept (niet zo speciaal in aanleg als Piet Oudolf’s High Line in New York, die de begroeiing volgt die er tussen de bielzen te vinden was), maar zeer aantrekkelijk.



Op de dia-avondjes van mijn vader zaten tussen de vakantieplaatjes steevast een aantal geheel blauwe of lichtgrijze dia’s, waarop hij dan het vliegtuig aanwees. Een stipje. Voor hem zou een dag in een klapstoel bij een landingsbaan van Schiphol met een pond paling de hemel op aarde zijn geweest. Vliegen in een vliegtuig, dat onvoorstelbaar fenomeen. Ik geloof niet dat hij ooit de wens had zelf te willen vliegen, met eigen vleugels als een vogel. Dat velen dat wél proberen, daarover gaat de allerlaatste tentoonstelling in La Maison Rouge; l’Envol (de vlucht). De vorige tentoonstelling daar (Ceija Stojka en de zwarte poppen) was verpletterend, deze is vooral aandoenlijk. Het zijn allemaal (hardnekkige) pogingen van mensen die geloven dat het kán, op eigen kracht de lucht in, maar uiteindelijk is dat natuurlijk gedoemd te mislukken. Icarus.
Antoine de Galbert, de eigenaar van la Maison Rouge, heeft een grote voorliefde voor de ‘outsider’ kunstenaar. En terecht. En natuurlijk moet je in die hoek de vliegeniers zoeken, die tegen beter weten in de poging wagen. Er is een pracht filmpje over Gustav Mesmer, die vanaf zijn 26e in een psychiatrisch ziekenhuis woonde en daar aan het werk ging op eigen kracht op te stijgen.
Gustav MesmerPanamarenko, vanzelfsprekend, Roni Horn met haar veren objecten, veel foto’s van spiritistische bijeenkomsten en vermeende waargenomen UFO’s. Een intrigerend slaapkamertje van Ilya en Emilia Kabakov, van een engel die zijn vleugels even over de stoel gehangen heeft. Van Georges Méliès waren er behalve de inmiddels vermaarde film ‘Le Voyage dans la Lune’ ook wat tekeningen die ik nooit eerder zag, als een story board. Aanstekelijke performance filmpjes van Roman Signer. Het mooiste vond ik geloof ik de foto van Cartier-Bresson, van wat ik eerst dacht dat een non was, maar het moet een gelukzalige bruid zijn met haar kersverse echtgenoot. Ik vond in een archief andere foto’s van hem, genomen op dezelfde dag. Allemaal uitgelaten bruiloftsgasten in iets dat op een speeltuin lijkt!


http://www.reseaux-artistes.fr/dossiers/philippe-thomassin


In de gerestaureerde versie EN COULEUR !



Het atelier tegenover mij wordt steeds drie maanden bewoond door twee master-studenten van The Royal College of Art in Londen. Robin Godde is een Fransman die daar nu studeert en onderzoekt hoe het -wereldwijd- met de hooiberg gesteld is. Elk land bouwt zijn eigen hooimijt. Een Zwitser vertelde me dat er daar subsidies zijn voor boeren die de hooimijt weer gewoon op ouderwetse wijze hoog stapelen, zonder plastic verpakking. Robin gaat terug naar Londen en wil kijken hoe hij de hooiberg in de stedelijke omgeving kan plaatsen.
http://www.robingodde.com
Ik las dat er in Nederland op het ministerie voor landbouw ook een hooibergenbeleidsnota bestaat.